Terugkeer en vertrek van oude wijzen

Het verhaal van de Kempische Driekoningen is exemplarisch voor een periode, waarin het verlies van oude waarden gevoeld wordt als gemis en waarin geprobeerd wordt deze opnieuw vorm te geven, zonder dat het echt nog kan. Want de wereld rondom was veranderd. Soms leek het misschien nog even als vanouds, maar verandering was onomkeerbaar en het hele driekoningengebeuren krijgt daardoor een andere betekenis. Terugkeer en vertrek van oude wijzen. Ze kwamen nog even langs, leken voet aan de grond te krijgen, maar het zat er niet echt meer in. Je zou kunnen zeggen: in een wereld van narcistische zelfbetrokkenheid en individualisme, waarin het gemis van verbondenheid met de ander nauwelijks nog als pijnlijk ervaren wordt, weet men niet meer waar het over gaat. Het wordt hooguit gezien als kinderspel op grond van achterhaalde religie.

Met de ernstige kant van de godsdienst lijkt het driekoningenzingen weinig te maken te hebben. De godsdienst is serieus, er mag niet mee gespot worden; priesters gaan voor in de vieringen en bepalen hoe het moet gaan. Op de achtergrond hoeden paus en bisschoppen voor zuiverheid in de leer en gelijkvormigheid in de beleving. Er is geen plaats voor grappen, persiflages of relativering. God is de enige allesbeheersende waarheid en deze drukt een stempel van huivering en ontzag op de gelovigen. Alles wordt geweten en zal onherroepelijk en zonder aanzien des persoons verrekend worden. Zo beleven de gelovigen het die zich tot in de wortels van hun wezen en vanaf eerste begin tot laatste zucht gekend weten door die grote God. In deze beleving past geen relativering. Het is puur ernst wat de klok slaat. Zolang de Driekoningen op hun rondreis door de Kempen alleen cafés aandeden en zongen op markt- en kerkpleinen was de wereld nog helder. De kerk was de plaats van de serieuze godsdienst, cafés en marktplein waren de plek waar traditie en folklore plaatsvonden. In de kerk spreekt de priester en zingt het plechtige kerkkoor met uitgestreken gezichten, in ‘de café’ zingen echte of verdrietige lolbroeken en speelt de accordeon. Zo was het, duidelijk en onderscheiden, tot het moment kwam dat de Kempische Driekoningen de kerken begonnen binnen te dringen, eerst voorzichtig bij het uitgaan van de mis, maar bij slecht weer al snel in de portiek, vervolgens achter in de kerk zelf en tenslotte vol overtuiging naar voren. Vanaf die tijd begon de grote verwarring.
Een bonte stoet meldt zich achter in de kerk, terwijl gelovigen en priester diep in gebed verzonken zijn. Er is gesproken en gezongen over Gods aanwezigheid onder de mensen en over het feest van de openbaring, het bezoek van de drie wijzen uit het oosten aan de pas geboren Messias. Epifanie, theologisch gezien één van de grootste feesten van het kerkelijk jaar: God maakt zich bekend aan de mensen. De oude astrologen met hun kennis over de samenhang tussen kosmos en mensenbestaan hebben dat begrepen. Er is veel om over te peinzen, huiveringwekkend. En dan ineens ruw geschuifel achter in de kerk. Mensen draaien hun hoofd en zien sjofele figuren zich nestelen tegen de achtermuur. Oude mannen met vale jassen en papieren kroon, een ster, giebelende kinderen met klapklompen, een verlegen accordeonist en een vrouwke met rommelpot. Storing en ruis in de hoge gedachten, verwarring over het geloof. Tot de pastoor met een duidelijk gebaar de stoet naar voren roept en het muzikale geweld losbarst. De volkse profane accordeon klinkt toch anders in de kerk dan in ‘de café’, zeker nu zij door de hemelse viool en pastorale fluiten begeleid wordt en de klanken samen terugkaatsen uit het gewelf. Met volle overgave zingt de groep zich tussen de kerkbanken door naar voren met een vrolijk en boers aandoend lied, waarin het driekoningengebeuren wordt bezongen in de context van het karige en met godsdienst doordrongen Kempisch bestaan. Veel wordt niet verstaan en misschien minder nog begrepen: ons Marie, houteren knie, kindje op de heide, domus cremio. Verwarrend want nooit eerder gehoord latijn. Zelfs oude misdienaars herkennen de teksten niet.
De innerlijke verwarring is zo mogelijk nog groter, want wie ijverig zat vroom te zijn op deze vroege zondagmorgen wordt geconfronteerd met sloebers die lopen te zingen om geld voor een idealistische streekgenoot ergens in de armoede. Juist dat laatste vergroot de verwarring. De eerdere afwijzing kan immers niet meer volgehouden worden, want het gaat om een goed en christelijk doel. Een ontroerde kerkmeester begrijpt het en leegt de collecteschaal, die de gelovigen kort ervoor gevuld hebben, met een gul gebaar in het mandje van de verbaasde Driekoningen. Daarvoor zingen we een extra lied, besluiten hun ogen met elkaar, en sober wordt het mooiste lied ten gehore gebracht dat zingt over het oude jaar dat vergangen is en het nieuwe dat aankomt, a capella, zoals past in een kerk. Het is adembenemend stil. Iedereen is ontroerd. De pastoor bedankt de Driekoningen die onder het zingen van een stampende uitsmijter de kerk weer verlaten en vervolgt de mis op het punt waar hij gebleven was: heilig, heilig, heilig. De Driekoningen staan al weer buiten in de sneeuw. Het was niet hun bedoeling. Zonder het te weten zorgen de Kempische Driekoningen voor een kleine religieuze revolutie. Het heilige en godsdienstige worden erkend en gerelativeerd tegelijk. Kerken en gelovigen worden opgezocht; er wordt aangesloten bij de godsdienstige beleving en tegelijkertijd wordt deze niet voor honderd procent onderschreven. Daarmee scheppen ze een paradoxale situatie: erkenning en ontkenning door één en dezelfde act, waarin tegelijk gezegd wordt ‘we doen mee’ en ‘we doen niet mee’. Dat is het meest verwarrende: dat de sjofele lieden zich wat los van het kerkelijke leven lijken te bewegen iets doen voor een typische vertegenwoordiger van dat geloof. Daarmee erkennen de dissidenten de doelstellingen van de traditionele gelovigen. Je kunt ze dus vertrouwen. ‘Dan maar de hele collecteschaal in de mand’, moet kerkmeester Toon gedacht hebben, ‘dan is het goed besteed’. En vervolgens vertrekken ze weer vrolijk zingend de koude of sneeuwige morgen in, de heidenen, de plaatselijke gelovigen in verwarring achterlatend en niet eens de moeite nemend om samen met hen de mis af te maken. ‘Ongecontroleerd stel. Wat heb je gedaan, Toon? Kan dat eigenlijk wel, al dat goede geld van de gelovigen zomaar meegeven aan dat gure stel?’ De bekende scheiding tussen religie en folklore klopt niet meer. Misschien is dat de duidelijkste conclusie uit dit Kempisch Driekoningengebeuren. Eeuwenlang bestond er in de Kempen een helder onderscheid tussen kerk en café. De kerk was het rijk van de pastoor; kerkplein en café behoorden het mansvolk. Zo was het altijd en zo was het goed. De Kempische Driekoningen maakten daaraan een eind. Café en kerk vermengden zich: heilige driekoningen bezochten de cafés en boerse driekoningen brachten een bezoek aan de kerk. Nooit was het meer als vroeger.

Jos van den Putte

© Liedarchief Weebosch-Bergeijk